Historiek van de stenen molen en rosmolen te Ertvelde

De molens van Ertvelde zijn meer dan 200 jaar oud, en hebben een rijke geschiedenis. In de volgende paragrafen krijgt u een volledig overzicht van hun geschiedenis.

Pieter Cornelis

Eind van de 18 de eeuw, in het jaar VII (1798) van de Franse overheersing, besluit Lieven Genbrugge tot het bouwen van een windmolen, rosmolen en woonhuis te Ertvelde voor zijn zoon Pieter Cornelis Genbrugge.
De bouwplaats is op het hoogste punt van Ertvelde, achter ’t dorp aan de drijhoek.
De molenmaker is Fredericus Pisonier uit Sleidinge (initialen FP 1799 op de maalgoot in de molen). Deze komt uit een bekend molenmakersgeslacht waartoe ook Augustinus, Petrus, Viktor en Edmond Pisonier behoren.
 

Woelige tijden

Het zijn woelige tijden met o.a. de opstand te Sleidinge tegen de fransen waarbij heel wat Ertveldenaars betrokken zijn.
Toch gaat het de jonge molenaar ‘voor de wind’.
Hij huwt met Anna Cornelia Goethals en deze schenkt hem zeven zonen: Charles-Louis, Ferdinand, Seraphinus, Jan-Bernard, Pieter, Theodoor en Jan-Baptiste.
Na de slag van Waterloo in 1815 komt Vlaanderen onder het Hollands Regime met koning Willem I.
Uiteindelijk zal de Belgische omwenteling van 1830 enige stabiliteit brengen.
 

Geldnood en hongersnood

De molenaar is ondertussen  in geldnood geraakt en in 1832 ziet hij zich genoodzaakt  een lening aan te gaan.  Er wordt een bedrag van 600 gulden geleend bij Juffrouw Livina Wille, begijntje, wonende binnen de Stad Gent in het groothof St Elisabeth Convent ter Engelen.
De akte wordt betekend in herberg “Den Grooten Spiegel” aan de St Jacobsnieuwstraat.
Genbrugge moet jaarlijks 30 Nederlandse gulden betalen en als borg staan de molen, rosmolen, woonhuis, zaailand en lochting.
Op 24 mei 1842 sterft de molenarin Anna Cornelia.
In 1845 breekt een tijd van hongersnood aan na de mislukte aardappeloogst.
Er zijn veel diefstallen (ook in molens) en verschillende hongeropstanden.
In 1848 verbetert de toestand enigszins.
Op 9 september 1852 sterft molenaar Pieter Cornelis.
 

De gebroeders Genbrugge

Enkele maanden tevoren hebben de kinderen Genbrugge een societeit gesticht waarbij alle roerende en onroerende goederen in de gemeenschap blijven. 
De vijf gebroeders zetten gezamenlijk het mulders- en landbouwbedrijf verder.
In maart 1853 wordt Jan-Baptiste door zijn huwelijk verplicht uit de gemeenschap te scheiden en de gemeene woning te verlaten.  Daarbij wordt hem 2114 frank uitbetaald voor afstand van zijn erfdeel.
In 1862 komen er zware kosten aan de molen; er moet o.a. een nieuwe liggende as geplaatst worden.  De werken worden uitgevoerd door Charles Rombout uit Wachtebeke, een bekende telg uit het Rombout-molenmakersgeslacht.
Waarschijnlijk door de hoge kosten komt het tot een verdeling onder de vier resterende broers.
Jan-Bernard en Ferdinand blijven molenaar.
Zij krijgen woonhuis, stalling, oven, graanwindmolen met alle draaiende en lopende werken, rosmolen en alle verdere ap- en dependentien, droge en groene kateelen, de grond, boomgaard, groenselhof en medegaande zaailand, samen 1 ha 91 a 80 ca. Daarbij ook de mobilaire voorwerpen van huishouden en deze  benodigd tot de molenaarstiel.
Comparant Charles-Louis krijgt de mobilaire voorwerpen benodigd tot de landbouw (waaronder kuipen, emmers, trog, twee pikken enz.).
Comparant Theodoor kreeg tevoren reeds 2100 frank bij zijn huwelijk en krijgt nog de gereede gelden ten belope van 650 frank.  Daarbij ook de granen t.t.z. rogge, tarwe en haver in de hopers.
Bij de betekening van de akte voor notaris Vermeersch te Ertvelde verklaart Ferdinand “niet te kunnen schrijven ofte teekenen”.
Jan-Bernard en Ferdinand malen verder met de molen en pachten in 1863 nog een stuk land bij.  Daarbij worden wel strenge bepalingen opgelegd wat betreft de vruchten op het land. 
Bijvoorbeeld:  “de pachter zal zijn akkerbouw zodanig moeten schikken dat het laatste van de pachttermijn niet meer dan één derde der bezaaibare grootte met boekweit zaaye en nooit geenen tweeden boekweit, even noch gediepveurde wortels, mede ook geen loof of groensels in aardappelland en boekweitstoppels.
 

Eugenius Neyt

Enkele jaren later sterft Ferdinand en Jan-Bernard verpacht de molen, samen met de helft van het woonhuis, schuur, stallingen, hof, boomgaard en moestuin, in 1871 aan Eugenius Neyt, molenaar uit Assenede.
Dit voor de som van 520 frank per jaar.  De draaiende en roerende werken van de molen worden op prijzij overgelaten. De pachter mag verbeteringen aanbrengen aan de molen, nochtans zal hij geene maalstenen mogen plaatsen of leggen zonder dat molenmaker Karel Rombout uit Wachtebeke deze goedgekeurd heeft.

Op 13 januari 1873 sterft Jan-Bernard en de comparanten Genbrugge samen met Viktoria van de Rostijne  (wed. Jan-Bernard) besluiten het hele bedrijf openbaar te verkopen.
Dat gebeurt op 2 april 1873 om 3 uur ’s namiddags, ten herberg van Charles-Louis Genbrugge te Ertvelde achter ’t dorp.
De verkoping wordt gedaan met keersbranding.  De beslissende toewijzing zal maar uitgesproken worden na het uitdoven van twee vuren zonder tussengeboden.
Er wordt bepaald dat de kopers nooit geene hoogstammige bomen op, rond en aan hunne gekochte goederen mogen planten.  Dit om de windvang voor de molen te vrijwaren.
De te verkopen goederen zijn, na verscheidene verhoogen en uitbranden van twee vuren, bij samenvoeging  toegewezen aan Eugeen De Rijcke, landbouwer uit Assenede, mits de som van 13.360 frank.
Deze laatste koopt het hof in naam van Eugenius Neyt, de molenaar.
De betaling moet geschieden in goed gangbare geldspetien van tenminste vijf franken binnen de 14 dagen.
De molenaar, thans ook eigenaar brengt gedurende zijn molenaarsloopbaan heel wat vernieuwingen aan.  Zo worden in 1898 nieuwe kammen gestoken; in 1904 wordt een ander sterrewiel geplaatst; in 1906 een andere vang.  De stenen worden verschillende keren opgegoten hetgeen wijst op veel maalwerk   In 1914 wordt eveneens een Acec-elektromotor geplaatst.  Deze wordt echter aangeslagen door den Duits en pas in 1921 teruggebracht.
Tot 1925 draait Eugenius volop met de molen.  Dan doet hij er afstand van aan zijn kinderen Helena, Joannes,  Marie en Cyriel.
 

De broers en zussen Neyt

Deze werken met de molen voornamelijk onder impuls van Cyriel, die tijdens WO I veel kennis opgedaan had in de Nederlandse Zaanstreek waar hij gevlucht was.
In de twintiger jaren worden ijzeren geklinknagelde roeden gestoken.  Het zijn tweedehandsroeden: de binnenroe van de molen van Eksaarde en de buitenroe van deze van Assebroek.  Tevens brengt Cyriel in die jaren een wiekverbeteringsysteem aan om beter te kunnen draaien.  De molen stond in die tijd bekend als de bestlopende van ’t Meetjesland.
In 1953 verwerft Cyriel het hele bedrijf door erfenis.
Hij maalt nog door tot 1965. 
Na die tijd draait de molen nog slechts sporadisch en vervalt zienderogen.
Cyriel sterft in 1978 en in 1980 besluiten de erfgenamen tot de verkoop.
 

Johan Van Holle

Johan Van Holle uit Assenede koopt de gehavende molen, de ingestorte rosmolen, het woonhuis, de schuur en het zaailand.
Hij gaat direct over tot een voorlopige herstelling van de windmolen.  Deze werken omvatten: herstellen van de verrotte en verdwenen dakstructuur, vervangen van het schalieberd, aanbrengen van roofing, plaatsen van vensters, aanbrengen van nieuwe windplanken aan de roeden en herstellen van het  hekwerk, oplichten van de liggende as, herstellen van het kruiwerk, scherpen van de maalstenen en tenslotte een algemene schilderbeurt.
Daardoor is de molen terug maalvaardig.
Een grondige restauratie dringt zich echter op. De procedure daartoe wordt ingezet bij de Rijksdienst voor Monumenten en Landschappen te Brussel in oktober 1980.
Op 6 november 1981 tekent Koning Boudewijn het Koninklijk Besluit ter goedkeuring.
Op 21 januari 1982 worden de werken aan de in 1970 geklasseerde molen aanbesteed.
De restauratie zelf vangt aan in september 1982.
De muren worden grotendeels hermetst en 50 cm verhoogd, er komt een volledig nieuwe kap, nieuwe wieken met  wiekverbeteringssysteem (fokwieken), nieuwe staart, spruitbalken en schoren, ander kruiwerk,  een ander koppel engelse maalstenen enz.
In 1985 is alles klaar en wordt terug graan gemalen.
Er werden jaarlijkse molenfeesten georganiseerd om het geheel mee te financieren.
Na de windmolen wordt de rosmolen aangepakt.
Stilgelegd in 1871 schiet er na meer dan 100 jaar weinig van over.  Het dak is ingestort, de muren staan slecht en het volledige binnenwerk is verdwenen.
Ondanks het feit dat de rosmolen niet geklasseerd is vindt molenaar Van Holle het onverantwoord hem te laten verdwijnen.  Samen met de windmolen vormt hij immers een uniek geheel.
Hij stelt een klasseringsprocedure in en besluit ondertussen tot de restauratie over te gaan met behulp van de Koning Boudewijnstichting.
De muren worden hermetst, er komen nieuwe eiken kapspanten en de kap wordt terug met riet gedekt.  Het draaiend gedeelte bestaande uit de staande eiken as met spoorwiel en de staartbalk worden eveneens geplaatst.  Als laatste komt de secundaire overbrenging en de maalinstallatie aan de beurt.
In 1987, na 116 jaar inactiviteit, wordt terug graan gemalen met de paarden.  Daarvoor gebruikt men fjordenpaarden, gekend als sterk en werkwillig.

 

Met dit alles heeft Ertvelde een uniek molinologisch geheel;  een windmolen en een rosmolen op dezelfde originele site.

 

Néerlandais